Lang geleden, toen mensen nog in sprookjes geloofden, leefde in de Dolomieten het legendarische volk van de Fanes. Met behulp van marmotten hadden ze een koninkrijk opgericht dat zich uitstrekte over bergen en valleien, bossen en weiden. Maar de koning van de Fanes was niet tevreden: hij wilde de machtigste koning van de bergwereld worden. Daarom verbond hij zich met een adelaar die gouden klauwen en een snavel van vuur had. Om het verbond te bezegelen, beloofde de koning de adelaar een van zijn kinderen als waarborg. Kort daarna baarde de koningin een tweeling – de twee meisjes Dolasilla en Luianta. Toen de koningin hoorde van het duivelse pact van haar man, gaf ze Luianta in de zorg van de marmotten en liet in haar plaats een witte marmot in de wieg leggen, die de adelaar enkele dagen later wegdroeg.
Dolasilla groeide ondertussen op tot een slimme en moedig vrouw, die haar vader volgde bij zijn avonturen. Op een dag bereikten ze het Zilveren Meer boven Canazei, waar – zo werd verteld – een schat verborgen lag, beschermd door dwergen. Inderdaad stuitten de koning en zijn gevolg na lang zoeken op een kist van zilver met een sneeuwwit vel en grijs poeder erin. De dwergen vroegen de koning dringend om de schat te laten. Tevergeefs. Dolasilla daarentegen toonde genade en gaf de dwergen de kist terug. Ter bedankt gaven ze de prinses het sneeuwwitte vel en Instrueerden haar om daar een pantser van te maken. "Het zal je beschermen," zeiden ze, en voegden waarschuwend toe: "Als het vel ooit rood kleurt zoals de Dolomieten bij zonsondergang, ga dan niet de strijd aan!"
Het grijze poeder uit de kist strooide Dolasilla op verzoek van de dwergen in het Zilveren Meer, waar al snel riet uit zilver begon te groeien. De dienaren van de koning sneden het riet en maakten er pijlen van, die bijzonder stevig en nauwkeurig waren. Met haar wonderbaarlijke uitrusting werd Dolasilla op het Kronplatz tot krijger gekroond en leek onverslaanbaar te zijn.
Een van haar grootste tegenstanders was de oude heks Spina de Mul, vernoemd naar het muildier-skelet waarin hij veranderde wanneer hij op pad ging voor zijn heksentaken. Met list en leugens slaagde de heks erin de prins van een naburig volk aan te sporen om tegen Dolasilla te vechten. De naam van de prins: Edl de Net, wat zoveel betekent als nachtogen. Toen Edl de Net en Dolasilla op het slagveld tegenover elkaar stonden, konden ze hun wapens niet tegen elkaar heffen. De heks schoot echter vanuit een hinderlaag op Dolasilla en verwondde haar ernstig.
In de strijd had Dolasilla haar eerste nederlaag geleden, maar in haar hart had ze overwonnen: met Edl de Net had ze de man ontmoet van wie ze hield. De prins, die haar gevoelens beantwoordde, besloot Dolasilla voortaan te beschermen. Van dwergen die op de Latemar woonden, liet hij een schild smeden dat alleen hij kon dragen. Voortaan verdedigde hij Dolasilla daarmee in de strijd. Maar niet alleen in oorlog, ook in de liefde wilde de prins aan Dolasilla's zijde zijn – en vroeg haar van de koning tot vrouw.
Het geluk van beiden was echter van korte duur. De koning – bezeten door de hebzucht naar beloofd goud – bond zich samen met de naburige volken tegen zijn eigen landgenoten en beloofde ervoor te zorgen dat Dolasilla de volgende strijd niet zou winnen. Om zijn plan uit te voeren, verwees de koning Edl de Net uit het land, in de hoop dat Dolasilla naar hem zou zoeken en haar plichten zou vergeten. De jonge vrouw was in tweestrijd. Moest ze haar persoonlijke geluk boven het lot van haar volk stellen? Verzweeld dwaalde ze op de Armentara-weiden rond. Uiteindelijk zegevierde haar plichtsgevoel. Toen kleurde haar pantser rood en herinnerde Dolasilla zich de waarschuwing van de dwergen. Maar voor haar was er geen terugkeer. Dolasilla ging de strijd in – en overleefde deze niet.
Het lot van de Fanes was bezegeld. De koning, die zijn volk had verraden, wachtte in plaats van goud een harde straf: op de Falzarego-pas, de pas van de "valse koning" (falso ré), werd hij tot steen. Zijn dochter Luianta, die tot dan toe onder de zorg van de marmotten was geweest, kon naar huis terugkeren.
Sedertdien varen de koningin en Luianta eenmaal per jaar bij volle maan in een zwart bootje over de golven van het Pragser Wildsee en wachten op het geluid van de fanfare, die de wederopstanding van het rijk van de Fanes aankondigt.